Contact   1044  31       

door 
  Wetenschappen  
  CLEAR  
  Edities  
  Test  
    1 / 35   Processen in de cel
 

-

Theorie Examenvragen  

Spring naar:

 

De volgende onderwerpen worden in dit hoofdstuk behandeld:

- Enzymen
- Fotosynthese
- Calvincyclus
- Autotroof en heterotroof
- Celademhaling
- Glycolyse
- Krebscyclus
- Gisting


Extra info

Transcriptie van de slides

Processen in de cel - Biologie - Theorie - Toelatingsexamen arts en tandarts


Enzymen

Enzymen zijn de werkpaarden in de cel: waar er chemische stoffen opgebouwd of afgebroken moeten worden, zijn het de enzymen die hiervoor zorgen. Stel bijvoorbeeld dat maltose moet aangemaakt worden (uit twee glucosemoleculen), dan is het een enzym dat daarvoor zorgt.
Enzymen zijn biokatalysatoren. Katalysatoren zijn stoffen die een chemische reactie versnellen en onveranderd worden teruggevonden.
Enzymen behoren tot de eiwitten.
Een enzym bindt aan één of meerdere substraten en geeft producten vrij. De bindingsplaats van het substraat of de substraten noemen we de actieve site.

Verlagen activeringsenergie

Enzymen verlagen de activeringsenergie van een reactie

Voorbeeld

Een voorbeeld is de afbraak van substraat tot twee producten (vb. maltose in twee glucosemoleculen):

Naamgeving enzymen

De naam eindigt altijd op -ase.
In bepaalde gevallen wordt het enzym naar het substraat genoemd, bijvoorbeeld: amylose (zetmeel) wordt afgebroken door amylase.
In andere gevallen krijgen ze de naam van het type chemische reactie, bijvoorbeeld enzymen die hydrolysereacties katalyseren, worden hydrolasen genoemd. Zo zijn er ook polymerasen,...

Invloed van de temperatuur

Enzymen werken het best bij een bepaalde temperatuur, hun zogenaamde optimale temperatuur.

Invloed van de zuurtegraad

Enzymen zullen bij specifieke zuurtegraden optimaal werken. Voor vele enzymen in het menselijk lichaam zal dit rond pH = 7 zijn, maar voor pepsine, dat in de maag werkt en eiwitten afbreekt, ligt de optimale pH lager (de maaginhoud is zuur).

Co-enzymen en co-factoren

Sommige enzymen hebben co-enzymen of cofactoren nodig, dit zijn stoffen die aan het enzym binden zodat het substraat aan het enzym kan binden.
Voorbeelden van co-enzymen zijn metaalionen zoals magnesium, zink of koper of bepaalde vitaminen.
Een cofactor bij energie vereisende reacties is vaak ATP.
Soms bindt de cofactor op de actieve site zelf en verandert deze zodat het substraat aan het enzym kan binden. Vaak echter bindt de cofactor niet op de actieve site zelf, maar ergens elders op het enzym, waardoor de vorm van de actieve site toch verandert (allosterisch).

Competitieve inhibitie

Hier is er een andere stof die op de actieve site van het enzym bindt en verhindert dat het substraat op het enzym bindt.

Allosterische inhibitie

Hier is er een andere stof die verhindert dat het substraat op het enzym bindt; maar die op het enzym bindt op een andere plaats dan de actieve site, maar toch de vorm van de actieve site verandert.

Toelatingsexamen arts en tandarts